Microkort

Zwaan

Op deze ben ik gloeiend trots. Hij heeft het namelijk geschopt tot finalist in #MicroBoot van Sweek en is opgenomen in Het Sweek zeer korte verhalen Boek deel 7 uit 2019. De bundels, met elk rond de 50 verhalen van 250 woorden, zijn te koop op Sweek.com en zijn absoluut de moeite waard, want het niveau ligt hoog.

Cover met finalistenbadge van #MicroBoot

Als een zeilboot met nieuwe witte zeilen voer het dier over het water. Zijn kop stak in de zon en zijn poten, die grijze hompen vlies en vlees, in de drek. Maar dat zag je niet, dat moest je weten. Je moest het besef hebben dat de sloot begroeid was met glibberige waterplanten waar al het vuil en afval van voorbijgangers in bleef hangen en dat er onder dat gladde wateroppervlak moeizaam gezwommen werd. Zij stond daar op een paar meter afstand en probeerde al dat moeizame en ontsierende weg te denken. Je zag er inderdaad niets van. Ze huiverde.

‘Ik zie niets aan jou, je bent juist zo’n mooi mens,’ had haar beste vriendin gezegd.

Ze liep naar het water. Haar hart roffelde onregelmatig in haar keel, terwijl stemmen uit haar geheugen klonken. Iedereen is anders. Ieder mens heeft zijn eigenaardigheden. Je bent goed zoals je bent. De witte vogel kwam sissend dichterbij. Als ze zich voortaan zou laten zien zoals ze was, zou ze dan nog steeds goed genoeg zijn? Het licht werd plotseling feller, schelle geluiden kaatsten tegen haar trommelvliezen en haar gejaagde ademhaling versmolt met het blazen van de vogel. Ze liet zich op haar knieën vallen en sloeg met haar vuisten zo hard mogelijk tegen haar slapen. Door een waas zag ze de vogel, onhandig en groot kwam hij uit het water, ze rook zijn slootlucht. Vlak bij haar hief hij een vlerk omhoog. Snikkend dook ze ineen terwijl de zwaan haar tranen bedekte.

Editio/Sweek/SchrijvenOnline

Hieronder volgt een aantal ultrakorte verhalen die ik heb geschreven voor schrijfopdrachten tijdens een cursus of op een schrijversforum. Even voor de duidelijkheid: Ze zijn niet (allemaal) (volledig) autobiografisch!

De ballen

Daar sta je dan met je fonkelnieuwe meestertitel, gewoon achter de kassa in de Bijenkorf tussen de glitters en de  kerstballen, omdat je nog geen normale baan hebt kunnen scoren en omdat je ook geen zin hebt om je handje op te houden.

Mijn collega was lunchen, dus ik stond alleen. Er kwamen twee van die werkmannen in blauwe pakken met de grootste kerstballen ever aangesleept. Die waren bij het ophangen twee verdiepingen omlaag gedonderd. Gelukkig niemand dood of zo, maar ik dacht: sukkels, wat kunnen jullie dan wel? ‘We parkeren ze effe bij jou achter de kassa, komen we ze zo weer ophale,’ zeiden ze vrolijk. Welja.

Er kwam een dure mevrouw. Ze deed een bod op de kerstballen, want ze had een groot huis en gaf een feest. Te koop of niet, kapot of niet, maakte haar allemaal niet uit, want zulke grote ballen had ze nog nooit gezien. Waarom ook niet, dacht ik. Wij wilden toch van die dingen af. Ik rekende netjes met haar af en iedereen blij. Ja toch?

Kwamen die mannen terug, waren hun ballen ineens verkocht. Moest ik bij de manager komen. Die had dit nog nooit meegemaakt. Nee, dûh!  Ik wel dan?

Rokjesdag

‘Als je niet onmiddellijk een rok aan trekt, ga je niet mee!’, riep mijn moeder naar boven.

‘Goed, dan ga ik toch niet mee,’ antwoordde ik vanachter mijn bureau.

‘Maar ik kan daar toch niet aankomen zonder jou?’

‘Jawel hoor, zeg je toch gewoon dat ik te veel huiswerk heb?’

‘Nee, dat kan niet. Het is zondag. Je gaat mee.’

‘Prima.’

‘Trek je dan wel een rok aan?’

‘Nee, ik hou gewoon mijn broek aan. Ik zou niet weten wat er mis mee is.’

Er was geen tijd meer en even later stapten we haastig in de auto. Een zwijgende grafstemming walmde me tegen het gezicht. Ik had me nog nooit verzet tegen de strikte religieuze kledingvoorkeur van mijn opa en oma en vond het een kleine moeite om me eraan te houden als zij dat zo op prijs stelden. Maar vandaag niet. Deze diepzwarte Levi broek was mijn trots, mijn eerste aankoop alleen, van mijn allereerste kleedgeld.

Het moest kunnen.

Oma deed open. Ze zag het meteen en bevroor, de deurknop nog in haar hand en haar blik gefixeerd op mijn mannenkledij. Mijn moeder begon hulpeloos verontschuldigingen te schetteren, waarmee de stilte nog benauwender werd. Daar kwam opa aangebeend. Meestal bleef hij in de woonkamer om de visite daar te ontvangen, dus nu was het bittere ernst met de situatie.

Mijn grote statige opa, een man met gezag, bij wie de antieke Statenvertaling met zilverslag een prominente plaats innam in huis en die als zendeling tot in Papua Nieuw Guinea was geweest. Als hij de zegen over het brood uitsprak, hield iedereen het hoofd eerbiedig gebogen. In één oogopslag had hij de situatie bij de voordeur getaxeerd en wist hij wat de juiste spreuk was:”Oh, wat heb jij een mooie broek aan!”

En het was alzo.

Stoffeltje

‘Mag ik aan u voorstellen: Stoffeltje, onze huisspin!’ Er klinkt applaus als het jonge grietje de forse vogelspin omhoog houdt. Ik zit achteraan, maar zie toch dat hij harig is en een paar flinke gifklauwen aan zijn kop heeft. Ik denk terug aan toen we nog in Brazilië woonden en er ineens net zo’n vogelspin binnen sloop onder de deur door, onze enige deur en uitweg.

‘Stoffeltje is heel rustig en onschuldig.’ Ze zet het monster op de grond en heel langzaam begint het poot voor poot vooruit te klauwen. Vijf jaar geleden pakte mijn man een beslagkom van tafel en sloop ermee op onze spin af. ‘Pas op, straks springt hij je aan,’ fluisterde ik, het beest niet uit het oog verliezend.

‘Zoals u ziet beweegt Stoffeltje maar heel langzaam. En ze kan wel tien centimeter springen,’ gaat het meisje verder. Tegelijkertijd hoor ik weer de harde plof waarmee mijn man sneller dan het licht de kom over het beest heen smeet. Een harig pootje bleef er stuiptrekkend naast liggen.

Het meisje pakt de spin op, zonder handschoenen zie ik nu pas. ‘Ik kan veel harder bijten dan zij. En het gif is minder sterk dan dat van een bijensteek.’ Ik voel me nu toch wel schuldig tegenover onze arme gehavende spin van toen.

‘Wie durft haar vast te houden?’ Ik steek meteen mijn hand op en mag naar voren komen. Mijn hand trilt als ik hem op houd. Wat heb ik nu weer gedaan? ‘Weet je het zeker?’ vraagt het meisje bezorgd. Ik knik en concentreer me op mijn ademhaling. Ze legt de spin op mijn zweterige hand. Hij voelt een beetje pluizig en een beetje plakkerig zijn de pootjes duwen zachtjes in mijn handpalm. Het is eigenlijk net een pasgeboren kuikentje. Bijna wil ik gaan huilen.

Vierde Fluit

Een blauw schijnsel weerkaatst in het mondstuk van de dwarsfluit die ademloos op mijn schoot ligt. Alweer een vierde fluitpartij in een Sjostakovich Symfonie. Om me heen klinken snerpende explosies van doodsangst, aanzwellende meeslependheid en intense heimwee. Geen noot heb ik nog gespeeld en ik ben nu al uitgeput. Is het echte leven al niet huiveringwekkend genoeg?

Ik bestudeer de druk vibrerende en blazende instrumenten om mij heen. Ik verdwaal in het slakkenhuis van een hoorn, tril mee met de snaren van een contrabas, zwem door de klank van het gedweeë strijkvee en bots tegen de brutale klank van een hobo op, die met de eerste fluit ruziet om de mooiste solo. Mijn blik blijft rusten op het losse blaadje op mijn lessenaar, vol lege notenbalken, betekenisloze tempoaanduidingen en nietszeggende dynamische tekens. Mijn feestje begint pas onderaan de pagina en zal van korte duur zijn. Drie staccatonoten met een crescendoteken eronder. Ik heb ze demonstratief omcirkeld met een neonblauwe markeerstift, want je zal ze maar net missen. Terwijl ik ernaar staar kruipen ze langzaam in elkaar tot iets dat ik mij niet wil herinneren.

Met een schok schiet ik overeind. Heb ik zitten slapen? Is mijn beurt al voorbij? Plotseling kan ik het niet langer uithouden. Mijn longen knappen bijna van de opgekropte spanning. Ik pak de fluit, zet hem tegen mijn mond en blaas mijn ziel eruit. Het is oorlog. Alles moet kapot.

Het orkest valt stil. Eenzaam liggen de blauwe staccato’s op de grond.

Vogelkak

Tevreden vloog het vogeltje door de kruinen van het loofbos. Hij was blij dat hij een vogeltje was, blij dat de zon scheen, dat de kleur groen bestond en dat er daar lekker veel van was om hem heen. Hij at zijn kleurige buikje vol met insecten en besjes en dronk van de dauwdruppels op de bladeren. Hij had verder niets nodig, echt helemaal niets. Ook daar was hij blij om. Van blijdschap maakte hij een looping. Toen voelde hij zijn darmpjes rommelen. Hij moest een poepje doen. ‘Ook dat werkt allemaal goed bij mij,’ tjilpte het vogeltje trots tegen zichzelf en hij liet in volle vlucht een keurige klodder gaan. Met een delicaat plonsje landde het kakje in het water onder hem. Een voltreffer. Het vogeltje cirkelde nog wat boven het water om de kringen die hij erin had veroorzaakt te kunnen bekijken. Hij hield van de kringen die zijn poepjes maakten als ze in de ven vielen.

Plotseling kwam er een grote regenboogkleurige kop omhoog uit het water. Het was een vissenkop. Zo’n vis had het vogeltje nog nooit gezien, dat moest hij toch even van dichtbij bekijken. Hij landde op een tak op veilige afstand en wachtte af of er nog iets spannends zou gaan gebeuren. ‘Ik ben een tovervis,’ zei de vissenkop. ‘Omdat je mij wakker hebt gemaakt, mag je een wens doen. Eén wens maar. Denk dus goed na.’

Maar het vogeltje had niets te wensen. Ineens voelde hij zich een klein beetje minder blij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *