Autisme in het wild

discover wildlife have kids

Autimoeder zijn van drie autikids vind ik moeilijk.

Als ik daar iets over vertel, word er wel eens gezegd dat andere moeders het ook zwaar hebben. Want alle moeders moeten schipperen in hun gezin. Elk huisje zijn kruisje.

Het is waar wat ze zeggen. Toch voel ik me wel eens vervelend door zulke uitspraken, want ze geven me het gevoel dat ik anderen tekort doe en dat ik zeur. En zo wil ik me niet voelen.

Toen zag ik ergens dit bordje: Discover wildlife have kids.

En ineens wist ik hoe ik kan uitleggen waar het verschil hem in zit als je een moeder bent met autisme.

Samen op safari

Voor veel ouders is het opvoeden van kinderen vergelijkbaar met een safari. Spannend, intensief en vol onverwachte wendingen. Je leert veel over het leven en voelt je vervuld als ouder, maar kinderen kosten ook aandacht, energie en zorgen. En dat mag je best zeggen.

Opvoeden is niet makkelijk. De meeste mensen die op safari gaan ontdekken de savanne daarom vanuit een safaribusje of een jeep met vierwielaandrijving. Ze krijgen een gids of een goede kaart en een informatieboekje mee in hun eigen taal. Speciale tools maken de opvoedsafari zo nodig nog wat aangenamer. Denk aan speentjes, poedermelk, speeltjes, speeltuinen, kinderopvang, snoetendoekjes, pleisters en kaplaarzen. De reis is daarmee zoveel mogelijk afgestemd op wat ouders zoal nodig hebben om hun kids groot te brengen. Toch blijft het hard werken tussen al dat wild om een goede balans te vinden tussen je eigen behoeftes en die van je gezin.

Op safari met autisme

Gezinnen met autisme gaan ook op safari. Maar bij hen gaan veel dingen onderweg anders dan bij de meeste mensen. Zij hebben vanwege de andere werking van hun brein en de andere ontwikkeling van hun kinderen soms andere dingen nodig. Maar de aangeboden voorzieningen zijn vooral afgestemd op mensen zonder autisme. Wat voor mensen zonder autisme prettig, handig of duidelijk is, is dat voor mensen met autisme vaak niet.

Om bij het beeld van een safari te blijven: gezinnen met autisme passen niet goed in zo’n leuk safaribusje of in zo’n stoere jeep. Die gaan te snel voor hun op details gerichte hersenen. En de gids vertelt ze wel van alles, maar niet wat zíj nodig hebben om te weten. De beschikbare tools tenslotte, zijn er voor mensen autisme vaak niet in de benodigde maat of de kids hebben er extreem veel weerstand tegen. Dat geeft schaamte, want een kind dat in blinde woede ontsteekt als hij limonade krijgt in een blauwe beker in plaats van in een gele, roept nu eenmaal weinig sympathie op.

Opvoeden voelt in gezinnen met autisme soms net als een safari te voet met alleen een routebeschrijving in het Swahili op zak.

Wij zien onderweg meer

Dat is dan weer de andere kant van het verhaal. Want te voet op safari gaan kan heel bijzonder zijn. Het is een voorrecht dat niet voor iedereen is weggelegd. Je ziet dingen die de meeste andere toeristen ontgaan en je maakt van alles mee. Wij auti’s zien vaak veel meer details en we nemen daar ook de tijd voor. We hebben meer focus voor wat ons interesseert dan veel mensen ooit zullen kunnen opbrengen voor wat dan ook. We genieten ervan om verbanden te zien die voor anderen minder voor de hand liggen en raken overweldigd van verwondering om wat andere mensen vanzelfsprekend vinden.

Voorbeeld uit het wild (Hé, dat rijmt!)

Mijn zoon en ik zijn eens samen gaan lunchen in een snackbar tegenover de groentekraam van de lokale markt. Doen we wel vaker; een moeder-zoon date noemen we dat. We hadden een plek aan een smalle bar, tegen de ruit. Terwijl we ons vergaapten aan de gezonde inkopen van onze dorpsgenoten buiten, zaten wij binnen tevreden onze patatjes weg te kauwen.

Dat op zich was al best grappig vonden wij.

Toen kwam er een oude man met een fiets. Hij zette zijn fiets tegen onze ruit, op 20 centimeter afstand van onze gezichten. Het was niet direct naar zijn zin, dus moest het een paar keer over, alsof hij nooit meer zou ophouden met het verschuiven van zijn fiets.

Om beurten voorzagen wij het tafereel van instant tekstwolken.

Plotseling kwam er uit de enorme neus van de man een dunne waterige draad, helemaal tot op zijn jas, waar hij even aan vastdrupte. Elastisch veerde de rest terug. Ik sloot geschrokken mijn ogen en proefde iets zoutigs op mijn tong, terwijl mijn zoon zich verslikte in zijn drinken van het lachen.

Quality time is niet ingewikkeld

Er zijn goede en kwade dagen. Op goede dagen en vooral als ik apart met een van de kinderen ben, dan leg ik de kwade dagen bij. Die momenten koester ik. En dat hoeft niet ingewikkeld te zijn.

Zo heb ik mijn dochter een keer meegenomen naar de grote glazen bibliotheek in Rotterdam, met alle roltrappen helemaal omhoog naar de bovenste verdieping en dan uitkijken over het centrum. We bleven er tot het donker was, tot de markthal buiten blauw verlicht was.

Wauw!

Met mijn jongste ga ik vaak boodschappen doen en dan mag hij de zelfscanner hanteren. Daarna gaan we dan samen kibbeling halen bij de visboer. Altijd bij de dezelfde visboer en warm uit de frituur. Anders lust hij het niet. Tegen de visboermevrouw zegt hij niet eens doei of dankjewel, maar als we weer naar huis gaan zegt hij: ‘Ik hou echt van je, mama, echt.’

Goud waard!

Discover wildlife, have kids

Autimoeder zijn. Alsof opvoeden nog niet moeilijk genoeg is. Alsof het nog niet ingewikkeld genoeg is als je zelf autisme hebt.

Tegelijkertijd vraag ik me af hoe het anders zou zijn geweest, als ik niet steeds over mijn grenzen werd gepusht. Zou ik dan ooit zoveel hebben geleerd? Zou ik ooit de vele mooie kanten van autisme hebben durven ontdekken, als God me die niet steeds opnieuw liet zien in mijn prachtige bijzondere kinderen?

Ontzag voor de Heer geeft een krachtig vertrouwen, het biedt je kinderen een schuilplaats – Spreuken 14:26

Volgende week komt het vervolg: Over autisme en kinderpartijtjes…safari aan huis!

Niets meer missen? Schrijf je dan gratis in voor automatische updates.

Delen mag! Wel graag met bronvermelding.

Reacties vind ik leuk!

AutiQuiz, feit of mythe?

puzzelstukjes
Autisme, kun jij de puzzelstukjes in elkaar passen?

Wat weet jij eigenlijk van autisme?

Autisme. Tegenwoordig heeft bijna iedereen er wel eens van gehoord. Helaas worden er ook wel eens dingen over gezegd die niet helemaal kloppen. In deze Quiz vind je 20 stellingen over autisme met daarover steeds vier verschillende uitspraken. Weet jij feit en mythe van elkaar te onderscheiden?

1. Mensen met autisme zijn dol op repetitieve karweitjes.

 
 
 
 

2. Mensen met autisme zijn vaak ongevoelig.

 
 
 
 

3. Als je autisme hebt ben je keigoed in exacte vakken en kun je goed met computers overweg.

 
 
 
 

4. Mensen met autisme houden niet van uitgaan.

 
 
 
 

5. Mensen met autisme houden niet van knuffelen.

 
 
 
 

6. Mensen met autisme hebben altijd iets waar ze heel veel over weten of waar ze opvallend goed in zijn.

 
 
 
 

7. Mensen met autisme kunnen niet tegen een grapje.

 
 
 
 

8. Mensen met autisme maken geen oogcontact.

 
 
 
 

9. Mensen met autisme kunnen maar beter niet aan kinderen beginnen.

 
 
 
 

10. Je merkt dat iemand autisme heeft, doordat hij of zij minder sociaal is.

 
 
 
 

11. Een echte autist haal je er zo uit.

 
 
 
 

12. Mensen met autisme kunnen niet samenwerken.

 
 
 
 

13. Mensen met autisme snappen geen spreekwoorden en beeldspraak.

 
 
 
 

14. Een huwelijk met iemand met autisme is afzien.

 
 
 
 

15. Mensen met autisme kunnen geen autorijden.

 
 
 
 

16. Iedereen is wel een beetje autistisch.

 
 
 
 

17. Autisme is een mentale ziekte.

 
 
 
 

18. Mensen met autisme kunnen zich niet inleven in andere mensen.

 
 
 
 

19. Mensen met autisme zijn minder intelligent.

 
 
 
 

20. Bij iemand met autisme thuis is het altijd opgeruimd en schoon.

 
 
 
 


Om het Colosseum heen

Dit waargebeurde verhaal heb ik ingezonden voor de Debutantenwedstrijd van dit jaar. Helaas ben ik er niet mee op de longlist gekomen.

Met elke stap groeide de stenen bocht weer aan en leek ze niet verder te zijn gekomen.

Ze werd er draaierig van, ook omdat ze steeds sneller ging lopen. Straks was iedereen alsnog vertrokken zonder haar. Zouden de oude Romeinen haar nu vanuit de onderwereld aan het uitlachen zijn? Ze zat gevangen in een cirkel om hun gebouw van brood en spelen heen, een cirkel zo groot dat je niet kon zien waar je was of waar je heen ging. Ze was een rat die vluchtte voor de pijn van de klem die zich reeds aan haar had vastgebeten.

Misschien wachtte de groep nog ergens op haar.

Misschien. Ze haatte onzekerheid, maar eigenlijk was daardoor alles op dit moment juist nog goed. Onzekerheid heeft een hart vol genade, zoals ook eenzaamheid pas echt ontstaat wanneer je om je heen kijkt en ziet dat je daadwerkelijk alleen gelaten bent. Ze wilde de groep terugvinden en tegelijkertijd wilde ze voor altijd in die meedogenloze maar veilige cirkel blijven. Eigenlijk wilde ze normaal zijn. Ze wilde, net als de anderen, gezien worden. En gemist als ze ontbrak.

Ronde vormen vertekenen, je verkijkt je gemakkelijk op hun omtrek, vanuit de ruimte een stip, op de grond meer dan een kilometer. Hoe had ze ooit zo stom kunnen zijn? Natuurlijk kon je niet in een paar minuten om het Colosseum heen lopen. Ze struikelde, klapte tegen de muur aan, hijgde even uit en hinkrende toen verder, haar blik alsmaar op die in tegengestelde richting meebewegende ronde wand in de hoop dat daarachter toch nog een bekende tevoorschijn zou komen.

Plotseling hield het tollen op en voor haar ontvouwde zich het plein, met de entree. Zoals vacuüm gezogen koffie naar lucht snakt als je het pak stuk knipt, zo zoog haar brein het beeld ongefilterd in zich op. Ze raakte los van zichzelf en van bovenaf keek ze neer op het slungelige blonde meisje dat daar stond als bevroren. Ze wilde zichzelf iets toeroepen. In plaats daarvan schreeuwden de lege tegels haar in het gezicht: doe iets! 

Ze landde terug in zichzelf en de waarheid viel in stukjes op zijn plek.

Als een schildpad voelde ze zich uit haar huls gerukt, verraden om hoe ze was, kinderlijk en traag. Altijd had ze een ander nodig om zich aan vast te klampen. En nu? De oudheid joelde haar vanuit de ruïne uit, beide duimen omlaag. Ze had geen recht op bestaan en toch was ze er.

Een eindje bij de entree vandaan ging ze zitten om beter na te denken. Had ze een fout gemaakt? Hoe was het ook alweer precies gegaan?

Bij aankomst bij het Colosseum, was ze achter een paar klasgenoten aan naar binnen gelopen. Ze had ernaar uitgekeken, maar het was meteen een teleurstelling geweest, alles kapot en kaal. Slechts een paar marmeren platen gaven nog wat zitplaatsen aan en de bezoekers hadden zich daar staan verdringen. Even was ze de groep uit het oog verloren om over de lege arena beneden uit te kijken. Hoewel die kleiner had geleken dan ze zich had voorgesteld, had een tastbare angst haar aangegrepen, alsof er elk moment nog een leeuw uit de keldergangen op kon duiken om haar te voegen bij zijn slachtoffers uit de oudheid.

Ze had het pas gemerkt, toen er niemand meer binnen was.

Ze was meteen naar buiten gevlucht, maar bij de ingang was ook niemand meer. Iedereen was weggegaan. Het had niet echt geleken, alsof ze plotseling waren verdampt en elk moment weer konden neerslaan op de tegels. Was het een grap? Ze had op haar horloge gekeken en wist het zeker: zij had op tijd op de afgesproken plek gestaan, hooguit een paar minuutjes later. Waar waren ze zo snel heen gegaan? Enkele klasgenoten had ze erover horen praten, dat ze om het Colosseum heen wilden gaan lopen.

En nu was ze zeker te laat.

Uit haar tas haalde ze het programmaboekje. Het was omgevouwen bij vandaag en ondanks haar trillende handen sprong het woord ‘metro’ eruit. Ze zouden hierna met de metro verder gaan, naar een plek buiten de stad, herinnerde ze zich. Een mooie plek met oude Romeinse villa’s. Tivoli. Maar dan moesten ze nu wel gemerkt hebben dat ze een kaartje over hadden! Iemand van de leraren was nu vast onderweg om haar te zoeken. Welke kant was de metro op? Ze stond op, liet de duizelige sterretjes zakken en draaide toen langzaam om haar as, de omgeving scannend op bordjes, trappen, een bekend zoekend gezicht.

Niemand.

Het duurde inmiddels veel te lang nu.

Ze begon te lopen. Een paar jongens schreeuwden haar na. Liep ze ergens waar het niet mocht? Ze huilde en zette snel haar zonnebril op. Er zat iets in haar zak, het papiertje met het adres van het hotel. Er stond tussen haakjes bij dat het in de buurt van het busstation was. Het busstation, dat moest niet te moeilijk zijn. Ze keek in de richting vanwaar ze vanochtend waren gekomen, maar herkende niets. Misschien kon ze een bus nemen, steeds een andere bus desnoods, net zo lang tot er één het station aandeed. Er was een bushalte verderop. Hoe werkte het? Waar kon ze een kaartje kopen? Ze liep erheen, wachtte en observeerde wat de passagiers deden. Er reden twee overvolle bussen voorbij zonder te stoppen. Een goed teken, want volle bussen gaan naar belangrijke plekken, zoals stations. Eindelijk stopte er een bus, maar de mannen die erin stonden begonnen hard op de ruiten te slaan. Naar haar? Ze deinsde achteruit, draaide zich om en maakte dat ze weer op het plein kwam.

Voor haar, aan de overkant van een weg, zag ze groen met bomen.

Een park. Daar zou de chaos uiteen vallen en zou ze kunnen bedenken wat ze verder nog kon doen om terug bij het hotel te komen. Vanmorgen waren ze ook langs allemaal bomen en perken gelopen; was dit misschien hetzelfde park? Ze rolde het papiertje op en vouwde hem weer uit, rolde hem op en vouwde hem uit. Ze kon het voor de zekerheid maar beter aan iemand vragen.

Er zaten oude mannen op een bankje onder een kromgegroeide boom, naast de ingang. Had ze die al eens eerder gezien? Herkenden de mannen haar? Ze vroegen haar iets, maar ze liep snel door naar binnen. Twee paden verderop stond ze stil. Alles leek hier op elkaar, nog een stap verder en ze zou niet meer weten waar ze was. Achter haar was het enige wat ze op dit moment nog wel herkende: het vervloekte Colosseum. Weer vergat ze de oude mannen te groeten.

Terug op het plein, alweer, klampte ze een vrouw aan. Een man. Glazige blikken kleefden aan het papiertje dat ze hun voorhield. Het was nu voor iedereen duidelijk dat ze hulpeloos was en ze deed ook geen enkele moeite meer om het te verbergen. Een grijsbehaarde man met een grote camera kwam tegenover haar staan. ‘Can I help you?’ Ze gaf hem het papiertje.

Twee Italiaanse politieagenten leverden haar tegen de middag af bij het hotel. Ze was gered. Vlinderlicht ging ze met hen de veilige cocon van het hotel binnen, de bekende roodbeklede trappen op en de zware deuren door naar de receptie. Er was voor haar gebeld, heel vaak, zeiden ze daar. Dus ze hadden haar toch wel gemist en zich ook nog echte zorgen om haar gemaakt? Er waren duidelijke instructies: ze moest binnen blijven, op haar kamer. De docenten zouden vanavond terugkomen.

Vanavond.

Op haar bed telde ze de minuten van een uur en meer.

Ze schreef zich leeg in haar dagboek, probeerde te slapen en kreeg tenslotte honger. De zon en de straatgeluiden nodigden haar uit: toe maar, ze zien heus niets aan je. Jij mag toch ook wel iets leuks doen? Maar de afspraak was binnen blijven en binnen was het veilig.

Zonneschijn. Honger.

Ze waagde zich buiten haar kamer, gaf de sleutel af, ging de zware deur door en liep naar beneden. Heel even maar. Buiten markeerde ze herkenningspunten met haar ogen. Het papiertje zat opgeborgen in haar kontzak. Ze voelde zich zoals iedere andere toerist, vrij, alsof er niets was gebeurd.

Nadat ze had geluncht, liep er een Italiaan achter haar aan. Eerst negeerde ze hem, maar dat hielp niet. Hij mocht niet merken dat ze bang was. Ze was niet echt alleen, want de klas kon elk moment terugkomen, zei ze. Hij bood haar een colaatje aan, omdat ze zo mooi was. Eén colaatje maar: Italiaanse gastvrijheid. Verward liep ze mee een café in. Waar bleef de klas nu? Ze dronk zo snel mogelijk, want de afspraak was één cola, geen twee. Toen de man aan de bar stond af te rekenen, goot ze de laatste bijtende slok in haar keel en rende naar buiten.

Aan de overkant was het hotel, maar hij had haar al gevonden voor ze daar was.

Hij wel.