Kunnen autisten geloven in God?

Opengeslagen Bijbel

Soms snap ik God niet.

En dan denk ik dat Hij niet bestaat. Dan voel ik niet dat Hij er is.

Want waarom zijn ik en mijn kinderen anders autistisch en waarom is het juist in die alledaagse hectiek soms zo moeilijk om rust te vinden in Hem? En waarom duurt het trouwens ook al zo lang voordat ik antwoord krijg op het manuscript van mijn autobiografie? Ik wilde daar toch mee getuigen van wat Hij ondanks dat autisme in mijn leven heeft gedaan? Waarom gaat dat dan niet wat makkelijker en sneller?

En zo heb ik wel meer dingen waar ik vraagtekens bij zet, ook ergere dingen die verder van mijn bed verwijderd zijn.

Het moet allemaal wel met elkaar kloppen, vind ik. Dus misschien bestaat God dan niet. Of misschien is Hij niet de God die Hij zegt te zijn.

Maar als God niet bestaat klopt het ook niet.

Ik heb nog nooit een doos met puzzelstukjes leeggeschud en dat dan alle stukjes toevallig precies in elkaar vielen. Er is altijd een ontwerp en iemand die de stukjes in elkaar legt volgens een plan. De aarde kan niet bestaan zonder God en de mens al helemaal niet.

Kunnen autisten in God geloven? Als ze het zo moeilijk vinden om zich er iets bij voor te stellen, om iets bij Hem te voelen? Als er zoveel dingen zijn die niet lijken te kloppen?

Ik geloof van wel.

Want  als God  bestaat, dan geloof ik ook dat Hij is zoals in de Bijbel staat. Omdat er heel veel geweldige en eerlijke mensen zijn die dat zeggen. Waarom zouden ze liegen?

En ook omdat ik nooit zal vergeten wat Hij al wel heeft gedaan in mijn leven. Ik heb er net een boek over volgeschreven, ook al doet Hij daar nu niet mee wat ik graag zou willen.

Om in God te geloven hoeft niet alles meteen te kloppen.

Ik, met mijn kritische oog voor details, zie natuurlijk ook heus wel dat dingen in de Bijbel niet altijd met elkaar kloppen. Maar op zijn tijd laat God me zijn overkoepelende bedoelingen met de bijbelverhalen zien en dan gaat er steeds meer op zijn plek vallen.

Als  ik bijvoorbeeld in het boek Jona lees dat God een hele stad wil vernietigen, dan vind ik dat verschrikkelijk. Maar verderop komt God op zijn besluit terug en zegt Hij dat Hij verdriet zou hebben gehad van al die verloren mensenlevens en al die dieren in de stad. Dat klinkt niet als een wrede, maar eerder als een intens gekwetste God. Hij wil helemaal niet straffen. Hij wil juist vergeven. En Hij houdt ook van dieren.

Maar God zei tegen Jona’…zou ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die dieren?’ Jona 3:10 NBV

Gevoel is niet het belangrijkste.

God zegt niet dat geloven een gevoel moet zijn. Het mag dus ook een rationeel besluit zijn, een oprechte belofte. Ook als je het niet voelt, als je je het niet kunt voorstellen en ook als je het (nog) niet helemaal vindt kloppen.

Ook autisten kunnen dus de Heilige Geest ontvangen, want God belooft zijn Geest aan iedereen die in Hem gelooft.

 Ik denk: Juist zij, zodat ook zij kunnen begrijpen en voelen wat anders door hun beperking te moeilijk voor ze zou zijn.

Ik weet het zeker.  

Bronnen:

  • Alianne Dijkstra: ‘Is er een hemel voor autisten?’, KokBoekencentrum Uitgevers
  • Dr. Hanneke Schaap-Jonker: ‘Veilig bij God.’, Uitgeverij Groen

Wel goed kauwen…

Boterham met een vraagteken

‘Mama, wat gebeurt er als je een vlieg opeet?’

Een prangende vraag van mijn zoontje. Het is zomervakantie en de kids zijn vandaag alle drie thuis. Het is maar liefst 30°C, dus officieel hangmattenweer. Hangmatten genereren gedachtestromen. Dat is me al eens vaker opgevallen toen ik er zelf in lag. ‘Als je een vlieg opeet,’ antwoord ik, ‘dan gaat hij naar je maag. Die maakt er een papje van. Dat papje gaat naar je darmen en die halen eruit waar je wat aan hebt. Dan kun je er weer een beetje van groeien. Of je krijgt er energie van om na te denken in een hangmat of om lekker te fietsen. Maar dan moet je wel een heleboel vliegen eten. Gelukkig kan het ook gewoon met een lekkere boterham.’

‘Oh ja,’ zegt mijn zoontje.

‘Je moet trouwens wel goed kauwen als je vliegen eet,’ bedenk ik me ineens, ‘want ze kunnen ook eitjes bij zich hebben en die moet je dan wel allemaal stukbijten.’

‘Vliegen kunnen geen eitjes hebben,’ zegt hij.

‘Waarom niet?’, vraag ik. Ik zet voor mezelf alvast in op een antwoord waarin enkel kippen iets met eieren te maken hebben. We hebben zelf ook kippen, dus dat ligt in zijn kinderlogica het meest voor de hand. Denk ik.

Ik vergis me.

Hij zegt: ‘Omdat vliegen er niet van houden als er nog meer vliegen zijn, dus daarom maken ze geen eitjes.’

‘Omdat ze dat dan te druk vinden?’, vraag ik.

‘Ja,’ zegt hij.

Oeh, dit vind ik interessant! Snel neem ik mijn pen en opschrijfboekje ter hand en vraag door: ‘Ik zie hier anders een hoop vliegen bij elkaar. Ik zou denken dat ze het juist supergezellig vinden zo met z’n allen, denk je ook niet?’

Hij denkt even na en zegt dan: ‘Sommige vliegen houden wel van nog meer vliegen, dus die maken wel eitjes.’

Toch maar wel goed kauwen dus.

Mijn dochter komt erbij zitten. Ze ziet er verveeld uit. ‘Zal ik je een verhaaltje vertellen?’, vraag ik. Ze ontsteekt meteen in irritatie. Ze maakt er heftige arm en hoofdbewegingen bij: ‘Straks is het weer iets engs!’ ‘Nee, het is niet eng,’ probeer ik. ‘Het is echt gebeurd. Net nog, hier.’ Ik kan haar er niet mee overtuigen: ‘Straks zit er toch iets engs in wat jij niet eng vindt, maar ik wel en dan ga ik daar weer de hele tijd aan denken.’ Ze gaat weer naar binnen. ‘Vertel het dan aan mij, vertel het aan mij, vertel het aan mij…’ zeurt de hangmat.

Terwijl ik voorlees, komt mijn oudste zoon aanlopen. Dwars door mijn verhaal heen wil hij weten of hij straks bij zijn vrienden mag lunchen. ‘Stom verhaal, stom verhaal, stom verhaal,’ vindt de hangmat. Maar dat geeft niet, want ik heb nu mijn grote zoon als proefluisteraar. ‘Leuk verhaaltje,’zegt hij. ‘Ik krijg er honger van. Ik hier effe naar de pot en dan ga ik bij mijn vrienden eten.’

Zo laat al? Ik voel geen honger en door de vakantie ben ik sowieso al van mijn pad af. Ik heb daardoor zelf al een paar keer de lunch overgeslagen de afgelopen tijd; gewoon vergeten. Toch zal ik nu wel iets aan de lunch moeten gaan doen. ‘Wat gebeurt er als je een tak opeet?’ dwarsboomt de hangmat mijn gedachten. Bij het uitblijven van mijn reactie, schiet hij in een allesoverheersend tot diep in mijn moedermerg doordringend mantra:

‘Mamamamamamamamamamamamamama’

‘Je kunt geen takken opeten,’ zeg ik wanhopig.

‘En een heel dun takje dan?

‘Die poep je gewoon zo weer uit. Weet ik veel’

‘Ik weet niet wat veel is. En wat gebeurt er dan verder?’

‘Verder niets. Hou op!’

‘En wat als je papier opeet, zoals waar jij altijd op schrijft? Of zand, heel veel zand?’

Ik kan alleen maar goed functioneren over één spoor tegelijk en op dit spoor staat nu iets gigantisch in de weg. Ik plug mijn oordoppen in en loop naar binnen. ‘Je luistert niet,’ schreeuwt het obstakel me na. ‘Mamamamamama!’

Arrrrghh! Wat zeggen autisme experts ook alweer over dit soort situaties?

Grenzen stellen, verbieden, duidelijk aangeven wat wel mag en wanneer je weer beschikbaar bent. Gebruik eventueel tekeningen om het visueel te maken. Gebruik een kookwekker.

Ik loop terug en zeg:’ Ik ga NU een boterham voor je maken en TOT die voor je neus op tafel staat wil ik je NIET horen, ANDERS lukt het me niet om de lunch klaar te maken.’

‘Wel geroosterd?’

‘Ja’

‘Met speculoos?’

‘Ja’

‘En in stukjes gesneden?’

‘ Ja, ja, ja, ja, ja, ja!’

‘En waar zijn de anderen?’, ‘En waarom ben ik dan niet bij een vriendje?’, ‘Wanneer zijn mijn vriendjes bij hun oma of bij de bso?’, ‘En wanneer ga ik ook alweer altijd naar opa en oma?’ Waaromwaaromwaarom, wanneerwanneerwaneer.

Dit lukt niet. Ik ga NU de kookwekker halen! Ik zeg het hardop. ‘Nee, dat hoeft niet hoor,’ zegt mijn zoontje.

Even later serveer ik succesvol zijn dagelijkse standaardkost: een geroosterde boterham, mèt speculoos, ín stukjes, op een klein bordje, vlak voor zijn neus. En appelsap in een géle dopper, direct binnen zijn handbereik. Doe ik het anders, al is het maar een detail, dan klopt het niet voor hem en dat heeft geheid gevolgen. Dochterlief krijgt poffertjes uit de magnetron en aardbeienlimonade in een kleine roze beker. En ja, ze eten bij de televisie. Ik ben daar niet vóór, maar ik vind het nu eenmaal belangrijker dat ze iets naar binnen krijgen. Vandaag lukt dat.

En ik? Zal ik ook maar iets gaan eten? Een boterham met vlieg?

Wel goed kauwen dan.